De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 1 “Wie schön leuchtet der Morgenstern”

Deze cantate is de laatste van een serie koraalcantates die Bach schreef in zijn tweede ambtsjaar als Thomascantor in Leipzig. De cantate is bedoeld voor het feest van Maria boodschap, de dag waarop de Kerk herdenkt dat de engel Gabriël aan Maria de boodschap bracht dat zij moeder zou worden van Jezus, en werd voor het eerst uitgevoerd op 25 maart 1725.

De cantate is gebaseerd op het lied ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern’ van Phillipp Nicolai, auteur van zowel tekst als melodie. De cantate begint met een uitgebreid openingskoor, waarna een tweetal recitatieven en aria’s volgen, en wordt zoals gebruikelijk met een koraal afgesloten.

Voor het beginkoor en het slotkoraal gebruikt Bach de letterlijke tekst van het eerste en laatste vers van het lied. De tussenliggende coupletten zijn door een onbekende dichter herdicht om ze beter bij naar dit feest te laten passen en ze bruikbaar te maken voor de recitatieven en aria’s. Een bijzondere instrumentatie geeft deze cantate een aparte sfeer. In het begindeel spelen twee concertante violen levendige figuren boven een vol klinkend orkest, waarin nu geen trompetten klinken, maar twee hoorns en hobo’s da caccia. Zo komen de violen des te stralender uit, als het ware de twinkeling van de ster weergevend.

De sopraan aria componeert Bach als een intiem duet voor sopraan en hobo da caccia. Zij delen thema dat voortdurend de steeds hoger reikende, flakkerende vlammetjes van Godsverlangen lijkt uit te beelden.

Voor het danklied waartoe het basrecitatief oproept, bezigt Nicolai de woorden snaren, zang en muziek waarop Bach de door strijkers begeleide tenoraria Unser Mund und Ton der Saiten schrijft. Dit bekoorlijke stuk heeft een veeleisende solopartij. In de instrumentale begeleiding gebruikt Bach, geïnspireerd door de tekst, de twee concerterende violen om te komen tot een prachtige afwisseling tussen solist en orkest.

Het slotkoraal heeft ook een bijzondere instrumentale begeleiding. Naast de gebruikelijke vierstemmige harmonisatie, krijgt het door de bewegelijke figuren van de tweede hoorn een feestelijk karakter, en sluit de cantate af met een verwijzing naar het begin.

Gerard van Zwieten.

uitvoering 25 maart 2012