De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 12 “Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen”

De cantate “Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen” was de tweede die Bach componeerde na zijn promotie in 1714 tot concertmeester aan het hertogelijk hof van Weimar. Daarbij verplichtte hij zich om elke maand een cantate te componeren voor de dienst in de hofkapel. De tekst voor deze cantate is van de hand van Salomon Franck, in diezelfde tijd huisdichter aan het hof van Weimar.
De cantate is geschreven voor de derde zondag na Pasen. De evangelielezing voor deze zondag is Johannes 16:16-23, het verhaal waarin Jezus het afscheid van zijn discipelen aankondigt.

Franck’s uitgangspunt voor deze cantate was vooral de tekst uit Johannes 16:20 : “Waarachtig, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen”. Het contrast tussen verdriet en vreugde speelt een grote rol, een gegeven dat Bach altijd bijzonder geïnspireerd heeft.

De cantate begint met een ingetogen sinfonia waarin het orkest de toon zet voor een aangrijpende klaagzang door het koor op woorden ontleend aan Johannes 16:20 ”je zult huilen en weeklagen”. Het klagend karakter wordt benadrukt door dalende lijnen gezongen door het koor. In het orkest klinkt voortdurend een dalend Lamento motief uit de 17de eeuw. Het koordeel is in zuivere dacapovorm gecomponeerd. Het langzame begindeel wordt gevolgd door een motet-achtig en iets sneller middendeel waarna besloten wordt met een herhaling van het begindeel.

Het volgende recitatief, gezongen door de alt, is een citaat uit Handelingen: “Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen” (Hand. 14: 22). Het ‘’ingaan in het Rijk Gods” wordt door Bach uitgedrukt in een stijgende toonladder in lange noten door het hele recitatief heen voor de viool. Diezelfde toonladder zingt de soliste op de tekst “‘in das Reich Gottes ein-(gehen)”.

Na dit recitatief volgen er drie aria’s zonder onderbreking van recitatieven. In de eerste aria zingt de alt met een eenvoudige begeleiding van hobo en continuo, over de troost van Christus’ wonden voor het leed van de christen.

Dan volgt een bas-aria met de tekst “Ich folge Christo nach. De navolging van Christus is een motief dat Bach tot prachtige dingen inspireert (Denk bijvoorbeeld aan de sopraan-aria “Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten” uit de Johannes Passion). De aria begint met de melodie die in canonvorm wordt ingezet door twee violen, als verbeelding van de navolging, en wordt overgenomen door de bas. Aan het eind van de aria komt de beginzin terug, alweer op een stijgende toonladder, als het ware aangevend dat de navolging van Christus ons in het Rijk van God brengt.

De tenor-aria spoort ons aan hierin getrouw te zijn, want “alle Pein wird doch nur ein Kleines sein” in het licht van Christus die ons voorging. De tekst van deze aria gebruikt het beeld van het slechte weer dat voorbij zal gaan, voor de treurnis die verandert in vreugde. Bach benadrukt dit door de melodie van het lied “Jesu meine Freude” boven de solist uit te laten klinken.

Als slotkoraal voor deze cantate kiest Bach het lied “Was Gott tut, das ist wohlgetan” als omvattende conclusie voor het gegeven in deze cantate dat verdriet verkeert in vreugde. Aan de prachtige vierstemmige zetting voegt Bach een instrumentale bovenstem toe die dit koraal een bijzondere glans verleent.

Gerard van Zwieten

uitvoering 18 april 2010