De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 36 “Schwingt freudig euch empor”

Op 2 december 1731 klonk deze cantate op de eerste adventszondag in de Thomaskerk in Leipzig. Cantate 36 is een goed voorbeeld van de techniek van het parodiëren, d.w.z. van het hergebruik van eerdere composities. Het was een uitbreiding van de cantate zoals die een jaar eerder was uitgevoerd, en waarvoor Bach de muziek van eerdere wereldlijke cantates had gebruikt. Als je zou denken dat dit tot een onsamenhangend resultaat zou leiden, dan blijkt het tegendeel. Door aanpassingen in tekst en muziek en toevoeging van koralen wist Bach een prachtige eenheid te smeden. In deze cantate gebruikt Bach drie verzen van het geliefde adventslied van Luther “Nun komm der Heiden Heiland”, en een strofe van “Wie schön leuchtet der Morgenstern” van Nicolai.

In de teksten van deze cantate spelen twee motieven een belangrijke rol. Het verhaal van de intocht in Jeruzalem, de evangelielezing uit Matt. 21: 1-9, als verwijzing naar de komst van Christus en het motief van het verlangen van de bruid naar haar bruidegom als verzinnebeelding van het verlangen van de gelovige naar de komst van Christus.

Het openingskoor begint met een vrolijk versieringsmotief tegen een langere melodie van de hobo’s. De koorgroepen zetten achter elkaar in met het “Schwingt freudig euch empor”, geïllustreerd met de opstijgende notenfiguren in het orkest
Dan volgt het eerste vers van “Nun komm der Heiden Heiland” in een duet voor sopraan en alt met hobo d’amore waarin de verwondering over de komende geboorte wordt bezongen. De koraalmelodie is zowel in de zangstemmen, de beide begeleidende hobo’s als in het continuo herkenbaar.
In de tenoraria komt het motief van bruid en bruidegom naar voren in een liefelijk samenspel van tenor en hobo. Hetzelfde motief komt voor in vers 6 van “Wie schön leuchtet der Morgenstern”, waarmee het koor het eerste deel van de cantate besluit

Het tweede deel begint met een aria voor bas, waarin de bewegelijke orkestbegeleiding teruggrijpt naar het karakter van beginkoor. Een mooie illustratie van de tekst waarin de Heer welkom wordt geheten en gevraagd wordt zijn intrek in het hart van de christen te nemen.

In contrast met deze aria volgt nu vers 5 van “Nun komm der Heiden Heiland”. In lange noten zingt de tenor de koraalmelodie tegenover levendige notenfiguren van twee hobo’s d’amore.
Des te liefelijker werkt de mildheid van de sopraan-aria waarin de tekst uitspreekt dat zelfs onze zwakke stemmen nog Gods majesteit vereren. De gedempte viool omspeelt dit met een vloeiende melodielijn.

Het laatste vers van Luther’s adventskoraal besluit deze cantate. In een vierstemmige zetting wordt de lof aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bezongen in gemeenschap met de gehele Christenheid.

Gerard van Zwieten.

uitvoering december 2012