De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 104 “Du Hirte Israel, höre”

De cantate ‘Du Hirte Israel, höre’ schreef Bach voor de tweede zondag na Pasen in 1724, toen hij bijna een jaar in Leipzig als cantor werkzaam was. De bijbelteksten die op deze zondag gelezen worden, cirkelen rond het thema van de de Goede Herder. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Jezus: ‘Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen’ uit het Johannes evangelie voor deze zondag.

De cantate heeft dan ook door het motief van de Goede Herder een uitgesproken pastoraal karakter, een geliefd thema in die tijd. Het begindeel combineert op geniale wijze de herderlijke sfeer met de bede door het koor: ‘Du Hirte Israel, höre’ - de beginwoorden van psalm 80.

Dan volgen een recitatief en aria voor tenor waarin de gedachten over het verlangen naar God, de Goede Herder verder uitgewerkt worden. Het volgende basrecitatief met de slotwoorden ‘Und führe uns in deinen Schafstall ein!’ vormt de overgang naar de bas aria.

Het pastorale karakter van de cantate keert weer terug in deze aria, met zijn instrumentale triolenbeweging waarmee deze aria teruggrijpt op het openingsdeel. Echter nu gaat het om de vervulling van de bede waarmee het koor begon.

De cantate eindigt met het koraal ‘Der Herr ist mein getreuer Hirt’, een parafrase op Psalm 23, natuurlijk in een prachtige harmonisatie van de grote meester.

Gerard van Zwieten.

uitvoering 16 en 17 april 2011