De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 114 "Ach, lieben Christen, seid getrost"

Cantate "Ach, lieben Christen, seid getrost" maakt deel uit van de tweede jaargang cantates die Bach componeerde na zijn aanstelling als Thomascantor in Leipzig. Deze serie cantates is opgezet als een groot project, waarbij elke cantate gebaseerd werd op een Luthers kerklied, en niet direct, zoals in de eerste jaargang, op de vaste schriftlezingen van het Luthers kerkelijk jaar. Vandaar de aanduiding koraalcantates. In deze cantates wordt de tekst van het koraal letterlijk gebruikt in het openingsdeel en het slotkoraal. Voor de recitatieven en aria's worden parafrases en herdichtingen gebruikt.

Cantate "Ach, lieben Christen, seid getrost" werd geschreven voor de 17-de zondag na Trinitatis en voor het eerst uitgevoerd op 1 oktober 1724. De evangelielezing voor deze zondag is Lucas 14:1-11, het verhaal van de genezing van een waterzuchtige.

De cantate is gebaseerd op een lied van Johannes Gigas op een voor-reformatische melodie. Het lied werd meestal als boete- en/of troostlied gezongen. De onbekende librettist gebruikte niet alleen het eerste en laatste, maar ook een van de middelste strofen ongewijzigd. De andere werden - zoals gebruikelijk - omgevormd tot recitatieven en aria's. Omdat de koraaltekst niet direct verband toonde met de evangelielezing van de zondag, zijn de strofen 2, 4 en 5 van het koraal omgewerkt om te kunnen verwijzen naar het evangelieverhaal.

Het openingsdeel begint met een levendige orkestpartij die voortdurend als een sterk ritmische achtergrond aanwezig is. De koraalmelodie wordt door de sopranen als cantus firmus gezongen, terwijl de andere stemmen soms homofoon, dan weer polyfoon de tekst herhalen.

De tenor wordt in de volgende aria begeleid door de fluit als illustratie voor het zoeken naar een toevlucht in het aardse jammerdal, dat gevonden wordt in Jezus' handen. De muziek wordt dan optimistisch in het middendeel. In het bas recitatief wordt een parallel gelegd tussen de zonde en de ziekte van de waterzuchtige, en de verlossing van de zondaar en de genezing van de zieke.

Koraalvers 3 wordt ongewijzigd gebruikt in deel 4. Vermoedelijk had Bach in die periode geen bekwame sopraan solist tot zijn beschikking, zodat de sopraan in dit deel de koraalmelodie nauwelijks versierd zingt, met een continuo begeleiding.

De alt aria brengt een wat opgewektere toon in de cantate. De tekst verwijst naar de lofzang van Simeon: ik kan in vrede heengaan, - nu de Heiland mij gereinigd heeft. Hoewel de aria bijna geheel in majeur is gecomponeerd, zijn er enkele wendingen naar mineur, bijvoorbeeld bij de woorden "es muß ja so einmal gestorben sein".

Na een recitatief door de tenor volgt het slotkoraal in een eenvoudige vierstemmige zetting.

Gerard van Zwieten.

uitvoering 4 oktober 2015