De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 117 "Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut"

In zijn tweede ambtsjaar in Leipzig (1724-1725) begon Bach met een ambitieus projec, n.l. een complete jaargang koraalcantates. Hij heeft dit project niet kunnen voltooien, na Pasen 1725 verandert de cyclus. Eén van de veronderstellingen is dat door het overlijden van de tekstdichter deze serie koraalcantates is onderbroken. Bach heeft deze cyclus later aangevuld, hoewel het geen complete jaargang meer is geworden. Cantate BWV 117 "Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut" is een van deze aanvullingen. We weten niet voor welke gelegenheid cantate 117 geschreven is, en wanner precies, vermoedelijk tussen 1728 rn 1731. De tekst van het lied "Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut" is van Johann Jakob Schütz en heeft een algemeen lofprijzend karakter.

In tegenstelling tot de oorspronkelijke reeks koraalcantates gebruikt Bach hier de ongewijzigde tekst van het lied, en geen parafrases of herdichting van de verzen. Door het gebruik van de ongewijzigde teksten, negen coupletten, weet Bach ondanks dat het karakter van de tekst geen echte hoogtepunten of complentatieve momenten heeft, er natuurlijk weer iets bijzonders van te maken. Een van de middelen die hij daarvoor gebruikt, is om de slotzin van elk couplet: “Gebt unserm Gott die Ehre!”, telkens een speciale behandeling te geven.

In Bach's tijd was het in Leipzig gebruikelijk om dit lied te zingen op de melodie van "Es ist das Heil uns kommen her" vandaar dat deze melodie in de cantate gebruikt wordt.
Zoals meestal opent de cantate met een koordeel, in dit geval een koraalfantasie. Het orkest speelt levendige en dansante motieven die een mooi contrast vormen met de vrij eenvoudige koraalharmonisatie die door het koor gezongen wordt. Hier herhaalt het koor de slotzin driemaal.
Het tweede couplet wordt door de bas als recitatief ingezet, de slotzin herhaalt de bas viermaal in de vorm van een arioso. De tenoraria heeft een ingetogen karakter, met 2 hobo’s d’amore en continuo als begeleiding. Ook hier krijgt de laatste regel weer nadruk door herhaling.

Het vierde couplet wordt door het koor in een eenvoudige vierstemmige harmonisatie gezongen, wat er op duidt dat deze cantate bestemd is om in twee delen, voor en na de preek, te worden uitgevoerd.
Het tweede deel begint met een recitatief voor alt. Ook hiet gaat dit weer over in een ariosovorm met een viermaal herhaald “Gebt unserm Gott die Ehre!”. Het zesde couplet krijgt de vorm van een duet voor bas en soloviool. Hier wordt de laatste regel maar liefst zeven maal herhaald.

Dan volgt een prachtige alt-aria, begeleid door strijkers en fluit. De slotregel klinkt weliswaar zeven keer, maar krijgt hier een minder uitzonderlijke behandeling. Het achtste vers wordt door de tenor als recitatief gezongen.

Tenslotte schrijft Bach voor het laatste vers: “Versus 9 ubi primus”, het laatste vers zoals het eerste, zodat koor en orkest weer terugkeren naar het muzikale begin en zo deze cantate als het ware met een groots gebaar omsluiten met het "Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut"

Gerard van Zwieten.

uitvoering 15 december 2013