De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 147 “Herz und Mund und Tat und Leben”

Cantate 147 is misschien wel het meest bekend door de koraalzetting waarmee zowel het eerste als het tweede deel besluit. Vooral door de vele bewerkingen die met de Engelse tekst "Jesu, Joy of Man's Desiring" gemaakt zijn, kennen velen deze muziek zonder zich ervan bewust te zijn dat het om een koraal uit een cantate van Bach gaat.

Deze tweedelige cantate is een uitbreiding en omwerking van een eerdere cantate uit Weimar voor de 4de adventszondag in 1716. Bach heeft deze cantate zo bewerkt dat die bruikbaar werd voor het feest van Onze Lieve Vrouwe Visitatie, waarop het bezoek van Maria aan haar bejaarde, eveneens zwangere nicht Elisabet wordt herdacht. Vooral door toevoeging van enkele recitatieven met verwijzingen naar de evangelielezing uit Lukas 1:39-56 (met de Lofzang van Maria) paste Bach de cantate aan voor zijn nieuwe bestemming. Toch bleef het oorspronkelijke karakter, n.l. de verwachting van de komende Christus, behouden.

De cantate begint met een feestelijk openingskoor, waarin de christen wordt opgeroepen om met hart en mond, daad en leven getuigenis te geven van Christus de Heiland. In het orkest gebruikt Bach de trompet om dit feestelijk karakter te laten uitkomen. Het koor begint met een fuga, ingezet door de sopranen, daarna gaat het over in een middendeel met een motet-achtig karakter, afwisselend met volledige orkestbegeleiding tot quasi a-capella. Daarna keert de fuga terug, maar nu ingezet door de bassen. Het orkest sluit het beginkoor af met een herhaling van de instrumentale inleiding.

Vervolgens komen er twee recitatieven en twee aria’s. Daarin speelt het motief van de verwachting van de komende Christus een grote rol. In het begin van het bas recitatief worden bijna letterlijk enkele verzen uit de Lofzang van Maria geciteerd. Daarbij horen we enkele van de klankschilderingen waarin Bach zo uitblonk. De woorden “Bis sie des Höchsten Arm vom Stuhle stößt” worden afgesloten met neerdalende figuren, en de zin “Doch dieser Arm erhebt” wordt weer gevolgd door stijgende noten. Ook bij “Obschon vor ihm der Erde Kreis erbebt” laat Bach zich de kans niet ontgaan het beven met snelle 16-de noten te schilderen.

In de laatste aria van het eerste deel zingt de sopraan over de verwachting van de genade van de komende Heiland, als het ware in dialoog met de viool.

Het eerste deel wordt besloten met het koraal “Wohl mir, dass ich Jesum habe”. De vierstemmige koorzetting wordt afgewisseld en omspeeld door het orkest met een uitgesproken liefelijk pastorale melodie. Het is geen wonder dat deze koraalzetting zo bekend en geliefd geworden is.

Het tweede deel begint met een tenor aria waarvan de gedachten parallel lopen met het beginkoor. “In Wohl und Weh, in Freud und Leid, Dass ich dich meinen Heiland nenne” en zo een duidelijke hervatting van de cantate vormen.

Het nu volgende alt recitatief, eigenlijk meer een arioso, beschrijft de ontmoeting van Maria en Elisabet in plastische bewoordingen, en in overdrachtelijke zin de ontmoeting van Jezus en Johannes. Even plastisch illustreert Bach in de begeleiding hoe Johannes “hüpft und springet, Indem Elisabeth das Wunderwerk ausspricht”.

Bij de laatste aria zet het orkest weer feestelijk in met de trompet, en is qua karakter verwant met het beginkoor, mede door dezelfde toonsoort C groot. Hierdoor ontstaat in deze cantate, zoals zo vaak bij Bach, een prachtige symmetrie in de opbouw. De bas bezingt in deze aria de wonderen van Christus, waardoor het heilig vuur in ons wordt vastgehouden.

De cantate wordt besloten met het koraal “Jesu bleibet meine Freude”, in dezelfde zetting als waarmee het eerste deel eindigt.

Gerard van Zwieten

uitvoering 18 en 19 december 2010