De kerkelijke cantates van J.S. Bach

Cantate BWV 37 "Wer da gläubet und getauft wird"

Cantate 37 "Wer da gläubet und getauft wird" schreef Bach voor Hemelvaartsdag in 1724. Opvallend is dat deze cantate niet direct over het verhaal van Hemelvaart gaat, maar over de belofte die Jezus daaraan voorafgaand aan zijn discipelen doet: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden”. De tekst van de aria’s en recitatief wordt toegeschreven aan Christian Weiss sr., een van de predikanten van de Thomaskerk in Leipzig ten tijde van Bachs cantoraat. Misschien heeft daardoor deze cantate een wat leerstellig karakter.

De cantate heeft voor een feestdag een bescheiden orkestbezetting. Het orkest gaat voortvarend van start met drie muzikale motieven in de blijmoedige toonsoort A majeur. De koorstemmen nemen deze achtereenvolgens over met de tekst uit het Markusevangelie “Wer da gläubet und getauft wird”, Vooral op het woord “glauben” worden de noten lang aangehouden om de standvastigheid van het geloof te verbeelden. Tenslotte komt het koor tegelijkertijd uit op: “der wird selig werden”.

Van de tenoraria is ons niet het complete manuscript overgeleverd. Op goede gronden concluderen musicologen dat er een vioolsolo aan deze aria ontbreekt. In onze uitvoeringen wordt een reconstructie van de musicoloog Alfred Dürr gespeeld.
Zo komt deze aria tot leven, waarin de tenor het geloof als het teken van Jezus’ liefde voor de zijnen bezingt .

Het derde deel is een koraalbewerking van de vijfde strofe van het lied “Wie schön leuchtet der Morgenstern”. In deze bewerking wordt de melodie door Bach kunstig muzikaal versierd. Sopraan en alt zingen in een duet beurtelings de melodie, terwijl de ander daarop varieert. Ze bezingen de Christus als hun Schat, zij zijn Zijn Bruid. Het koraal eindigt in een rijk versierd "loben" door sopraan en alt samen gezongen.

De bas vervolgt nu met een recitatief en een aria. Het recitatief geeft als het ware een didactisch vermaan dat alleen het geloof ons voor God rechtvaardigt, en niet de goede werken (een verwijzing naar Rom. 3:28). Dit wordt benadrukt doordat de bas wordt begeleid door strijkers en continuo. De aria keert dan weer terug naar het begin: “Der Taufe ist das Gnadensiegel, Das uns den Segen Gottes bringt”. Ook hier weer een lang aangehouden noot op “gläuben”.

Het koraal waarmee het koor besluit is een gebed om geloof en vergeving van zonden, de vierde strofe van het lied “Ich dank dir. lieber Herre” van Johann Kolro?, uit 1535. Het is een voorbeeld hoe Bach zijn harmonisaties duidelijk toesneed op de tekst van het lied. De melodie van de eerste en tweede zin is dezelfde, maar Bach harmoniseert ze verschillend. Daardoor kan hij de woorden Glauben en Sünd een verschillend karakter geven, met name het woord Sünd krijgt een schrijnend en drukkend karakter. Het koraal eindigt in breed uitgezongen verlossing van de last der zonde.

Gerard van Zwieten.

uitvoering 11 en 12 mei 2013